Menu

Caspar Scholten schrijft een nieuwe noot voor de JOR bij een kort geding uitspraak van de Rechtbank Amsterdam

04.07.2019

Caspar Scholten schrijft een nieuwe noot voor de JOR bij een kortgeding uitspraak van de Rechtbank Amsterdam

In de uitspraak schorst de Amsterdamse voorzieningenrechter een van de twee bestuurders van een BV. Er is een patstelling ontstaan tussen de bestuurders, tevens ieder voor 50% aandeelhouder. Een van de bestuurders weigert zijn hoog opgelopen rekening courantschuld te verlagen, terwijl de liquiditeitspositie van de vennootschap in het geding komt. Tot besluitvorming komt het niet. De voorzieningenrechter schorst de bestuurder voor een periode van drie maanden of zoveel eerder als de Ondernemingskamer een voorziening treft. De voorzieningenrechter koppelt de schorsing dus aan een te starten enquêteprocedure. Caspar behandelt de vraag of dit vereist is. Ook gaat hij in op het toetsingskader van de Ondernemingskamer bij schorsing van een bestuurder en of dit verschilt van de voorzieningenrechter.  

Bij schorsing van een bestuurder vanwege financieel wanbeleid denkt men al snel aan de Ondernemingskamer. Zij kan ingrijpen in de governance en bij wijze van voorziening bestuurders schorsen en zelfs ontslaan. De Ondernemingskamer heeft een concreet toetsingskader voor de schorsing: zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en is de schorsing dus in het belang van de vennootschap? Een schorsing kan echter ook door de voorzieningenrechter worden opgelegd. Het toetsingskader voor de voorzieningenrechter is algemener. De voorzieningenrechter kan voorzieningen treffen in spoedeisende zaken, indien de belangen van partijen dit vereisen.

Caspar meent dat de koppeling met een enquêteprocedure voor de hand ligt, maar geen vereiste is. De voorzieningenrechter zou volgens hem kunnen volstaan met het beperken in tijd van de voorlopige voorziening , zonder partijen verplicht naar de Ondernemingskamer te dirigeren. Daarmee wordt geen nadeel toegebracht aan de zaak ten principale (art 257 Rv).

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter haar oordeel opgehangen aan art. 2:8 BW (de rechtspersoon en organen moeten zich jegens elkaar naar redelijkheid en billijkheid gedragen). Art. 2:8 BW is ook het belangrijkste anker van de Ondernemingskamer. In zijn noot stelt Caspar dat de voorzieningenrechter bij de schorsing van bestuurders de jurisprudentie van de Ondernemingskamer zou moeten meewegen. De Ondernemingskamer gaat immers als ‘bodemrechter’ over de schorsing en het eventuele daarop volgende ontslag van de bestuurder van een BV. Hoewel de belangenafweging van de voorzieningenrechter en de Ondernemingskamer voor het treffen van voorzieningen verschilt (belang procespartijen vs. belang vennootschap), ziet hij geen redenen om aan te nemen dat deze verschillende toetsen in dit geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Rechtbank Amsterdam 18 januari 2019, JOR 2019-129 (City Assistant), m.nt. C.J. Scholten